Het is onze fout dat Trumpkiezers fake nieuws geloven

Op 8 november 2016 stond de wereld even stil toen Donald Trump verkozen werd als 45ste president van de Verenigde Staten. Niemand had verwacht dat hij zou winnen. Alle peilingen duidden op een grote overwinning van Hillary Clinton en toch waren ze allemaal mis. Alle grootschalige media schaarden zich achter de vrouwelijke presidentskandidate. Trump pakte zijn campagne anders aan. Hij richtte zich tot de bevolking in de Verenigde Staten die het moeilijker hebben dan anderen, minoriteiten zoals arbeiders, mijnwerkers, en zelfs migranten stemden massaal op hem, terwijl hij beloofde een muur te bouwen tussen de grens van de VS en Mexico. Hij sprak tot de minder bedeelden, mensen die zich verdreven voelden in de maatschappij waar geen aandacht aan geschonken werd, mensen die wisten dat hun keuze als ‘fout’ beschouwd zou worden. Daarom waren alle peilingen fout. Eenmaal in het stemhokje lieten ze hun hart spreken en koos de meerderheid van de bevolking in de VS voor Trump. Trump zag de kracht van sociale media in. Terwijl de traditionele nieuwsgroepen hem zwart maakten, gebruikte hij zijn Twitter account en andere sociale media om zijn stem te verspreiden. Als gevolg daarvan kwam ook het fenomeen fake nieuws ter sprake. Velen geloven dat fake nieuws ervoor gezorgd heeft dat Trump de overwinning haalde. Hoewel hij daarom het presidentschap niet gewonnen heeft, heeft fake nieuws zeer zeker een impact gehad op de verkiezingen.

Tijdens de laatste les nieuwe media kwamen we met de klas samen om een debat te voeren over fake nieuws. Geen gemakkelijke taak aangezien we met zoveel zijn en ieder heeft een andere kijk op de zaken. In deze blog kaart ik enkele stellingen aan over het fenomeen waarover fel gedabeteerd werden, te beginnen met ‘Fake nieuws is van alle tijden.’

Fake nieuws is spijtig genoeg geen nieuw fenomeen. In de jaren 60 verspreidde de FBI valse nieuwsberichten over Martin Luther King. In 1987 kwamen 96 voetbalfans om in het Hillsborough voetbalstadium in Sheffield. Zij werden letterlijk in overgrote getallen in hokjes geduwd waardoor enkele stierven omdat ze plat gestampt werden. De politie gaf foute informatie door aan journalisten waardoor zij de schuld legden bij dronken fans. In 2003 was er algemene paniek toen Saddam Hoessein zogezegd over massavernietigingswapens beschikte en zelfs misschien kernbommen. (New York Times)

Net nu, na de overwinning van Trump, bestaat er zo’n grote animo over het fake nieuws. De oorzaak voor het grote rumoer is simpel, sociale media. Zij veranderen fake nieuws niet, zij veranderen wel onze perceptie erop. Alles wordt uitvergroot door de sociale media. Daardoor komen problemen aan het licht binnen de journalistiek, maar ook hoe landen geregeerd worden (New York Times). Vroeger kenden enkel de happy few de waarheid, nu kan alles verspreid worden door een tekstje van 140 karakters te schrijven en vervolgens op de send-knop te drukken. Aanvankelijk werd het potentieel van het medium ingezien om goede doeleinden te verkrijgen. Helaas denkt niet iedereen op die manier. Er zijn teveel websites die fake nieuws gaan verspreiden via het internet en sociale media zijn daarvoor het ideale hulpmiddel. Enerzijds zijn er fake nieuwswebsites met daarop advertenties. Hun enige doel is om zoveel mogelijk volk naar hun website te lokken met valse, sensationele titels zodat ze zoveel mogelijk geld verdienen. Anderzijds heb je activisten die fake nieuws, foto’s of video’s gaan verspreiden om iemand zwart te maken, aldus Sened Dhab, hoofd van het social team bij het Franse bedrijf Darewin. (Davies, J.)

Vorig jaar werd de ‘tranen-van-het-lachen’ emoji uitverkozen tot woord van het jaar door Oxford Dictionaries. Dit jaar was het woord van het jaar ‘post-truth’. De uitdrukking wijst op een manier van berichtgeven waarin correct weergeven van feiten minder belangrijk wordt dan emoties oproepen en beroep te doen op persoonlijke overtuigingen van de lezer (Deckmyn, D.). Het is een mooie uitdrukking om aan te duiden dat de waarheid voorbijgestreefd is. Mensen zijn meer geïnteresseerd in een mooi verhaal dat mooi verpakt is, dan een correct, saai bericht dat wel alle duidelijke feiten meegeeft. Volgens filosoof Ruben Mersch is die emotionele berichtgeving altijd al aanwezig geweest in onze maatschappij. “We denken graag dat wij onze standpunten baseren op een objectieve analyse van de werkelijkheid, maar dat is nooit zo geweest.” De kiezers gaven hun stem aan politieke partijen nooit voor hun harde feiten, volgens Mersch, er is altijd al die emotionele, overtuigende ondertoon geweest. Daarnaast leeft iedereen in zijn eigen ‘filterbubbel’ en leest iedereen wat hij wil lezen. Op Facebook deden veel valse verhalen de ronde over Hillary Clinton. Door wat extra opzoekingswerk te doen, kon je al gauw vinden dat die berichten vals waren. Dat deden de lezers echter niet, want ze wilden het geloven. Mersch wil dan ook de Trumpsupporters de waarheid geven, maar dat kan maar op een manier, door te luisteren naar hun mening en hen te tonen dat het ook anders kan.

“Als je fake nieuws gelooft, dan is dat je eigen schuld”, was een tweede statement waarover fel gediscussieerd werd tijdens het debat in de klas. Dit klopt absoluut niet. Tegenwoordig worden valse nieuwsberichten zo professioneel opgesteld dat zelfs de meest rationele lezers ze kunnen gaan geloven. Zeker als die berichten dan nog eens worden opgepikt door betrouwbare media of bekende personen waar mensen naar opkijken zoals acteurs, zangers of politici. Het probleem ligt hem niet zozeer bij de opleiding volgens mij. Sommigen dachten dat dat wel een probleem was en dat laaggeschoolden minder onderscheid maken tussen echt en vals nieuws. Laaggeschoolden zullen vaker fake nieuws gaan geloven, maar dat komt niet door hun opleiding. Er wordt gewoon te weinig geluisterd naar wat zij denken. Zoveel mensen kijken met een zwart-wit kijk op het leven, je bent juist of je bent het niet, maar iets daartussenin dat kan niet. “Als je voor Trump kiest, ben je een racist” klonk het meermaals tijdens en zelfs na de verkiezingen. Er zijn echter zoveel mensen die voor andere redenen op Trump gestemd hebben.

The LA Times heeft een zeventigtal mensen ondervraagd waarom zij voor Trump gekozen hebben. Dat waren niet alleen republikeinen, maar ook democraten of onafhankelijke kiezers. De meeste kozen niet voor Trump omdat hij racistisch is of de moslimgemeenschap uit het land wil zetten. Neen, zij kozen voor hem omdat Trump verandering kan brengen in het klassieke politieke systeem dat niet meer naar een grote minderheid luistert (LA Times). Donald Trump is eigenlijk een verwezenlijking geworden van een lied van Rage Against The Machine. Hij werd “The voice of the voiceless.” Dat is de reden waarom zoveel mensen in fake nieuws geloven. Er wordt gewoon niet geluisterd naar wat zij denken.

7xHaUXf.jpg

Om fake nieuws tegen te werken zullen nieuwe regels tot stand moeten komen. De overheid kan zich echter niet mengen in de journalistiek. Te strenge regels zouden namelijk de vrije meningsuiting kunnen ondermijnen. Daarom worden ‘gevestigde mediamerken meer dan ooit belangrijk als kwaliteitskeurmerk’. Grote nieuwsmerken moeten een betrouwbare bron van informatie blijven zodat ze kunnen opboksen tegen de onbetrouwbare fakenieuwswebsites. Dat blijkt eenvoudiger gezegd dan gedaan. In een wereld waarin alles aan onmenselijke snelheden gebeurt, worden vaak fouten of veronderstellingen gemaakt die niet correct blijken te zijn. Zo berichtte de VRT over de aanslag op de Berlijnse kerstmarkt. De dader zou vermoedelijk van Palestijnse afkomst geweest zijn, of van Afghaanse, of een andere afkomst. Op dat moment hadden zij beter gezwegen tot ze confirmatie hadden van de afkomst van de dader. Dat voorbeeld bewijst gewoon dat de focus van bepaalde nieuwsmedia bij de snelheid ligt. Meestal gaat dit om televisiekanalen. Zij kunnen dan hun fouten of veronderstellingen snel rechtzetten. Op papier of op een digitale pagina gaat dat moeilijker als het er zwart op wit staat. Kranten en online redacties zullen in de toekomst meer moeten wikken en wegen wat ze plaatsen. Het is hun taak om uit te maken wat feiten zijn en wat fake nieuws is. Misschien moeten er in Vlaanderen fact-checkers aangenomen worden zoals in Duitsland of de VS gedaan wordt. Een persoon die zich uitsluitend bezig houdt met nieuws controleren vooraleer het verspreid wordt door een vaste nieuwsbron.

Het is pas sinds de overwinning van Donald Trump dat fake nieuws zoveel aandacht krijgt. Het bestaat al jaren, misschien zelfs al eeuwen, maar nu wordt het zo fel verspreid via sociale media dat sommigen het onderscheid niet meer maken tussen wat echt is en wat vals blijkt te zijn. Veel mensen geloven fake nieuws omdat de traditionele nieuwsmedia en ook de politici niet luistert naar de mening van armere mensen. Zij zoeken dan een toevlucht naar nieuwsberichten die wel rekening houden met hen en blijven dan in een persoonlijke bubbel hangen op sociale media waardoor ze steeds hetzelfde soort fake nieuws consumeren. Gevestigde nieuwsmedia hebben de taak om zich te onderscheiden van andere kleinere spelers op de markt door correct betrouwbaar nieuws te verspreiden.

Literatuurlijst

Davies, J. (2016). ‘Storm of lies’: The state of fake news in Europe. Geraadpleegd op 27/12/2016 via http://digiday.com/publishers/storm-lies-state-fake-news-europe/

Deckmyn, D. (2016). Is de waarheid wel passé? Geraadpleegd op 27/12/2016 via http://www.standaard.be/cnt/dmf20161116_02575777

Hazard Owen, L. (2016). Clamping down on viral fake news, Facebook partners with sites like Snopes and adds new user reporting. Geraadpleegd op 27/12/2016 via http://www.niemanlab.org/2016/12/clamping-down-on-viral-fake-news-facebook-partners-with-sites-like-snopes-and-adds-new-user-reporting/?utm_source=Daily+Lab+email+list&utm_campaign=d202ffee08-dailylabemail3&utm_medium=email&utm_term=0_d68264fd5e-d202ffee08-395922561

Jarvis, J. (2016). A Call for Cooperation Against Fake News. Geraadpleegd op 27/12/2016 via https://medium.com/whither-news/a-call-for-cooperation-against-fake-news-d7d94bb6e0d4#.b85j8bnp7

Kazakh TV Channel Famed for Fake News in Hot Water after Fake Interview. (2016). Geraadpleegd op 27/12/2016 via https://globalvoices.org/2016/12/20/kazakh-tv-channel-famed-for-fake-news-in-hot-water-after-fake-interview/

Los Angeles Times. (2016). ‘We’re called redneck, ignorant, racist. That’s not true’: Trump supporters explain why they voted for him. Geraadpleegd op 27/12/2016 via http://www.latimes.com/politics/la-na-pol-donald-trump-american-voices-20161113-story.html

Malik, K. (2016). All the Fake News That Was Fit to Print. Geraadpleegd op 27/12/2016 via http://www.nytimes.com/2016/12/04/opinion/all-the-fake-news-that-was-fit-to-print.html?_r=1

Sevastopulo, D. (2016). How Trump gave a voice to unheard America. Geraadpleegd op 27/12/2016 via https://www.ft.com/content/4ef103be-9bcf-11e6-b8c6-568a43813464

Afbeeldingen

Featured image – Snopes

Filmpje – The Alex Jones Channel

Grafiek – http://imgur.com/7xHaUXf 

 

Advertisements

Vlaamse pers geeft digitale wereld geen ruimte om te groeien

De manier waarop nieuws verspreid wordt, kende de afgelopen Jaren een bijzondere evolutie. Kranten worden steeds minder gelezen. De pers kan niet anders dan op de digitale trein te stappen. Doen ze dit niet, dan gaan ze ten onder aan de nieuwe, snellere maar vooral goedkopere manier om nieuws te lezen. De lezer is namelijk niet zozeer meer op zoek naar een vaste stek om zich te informeren over de laatste nieuwtjes uit eigen land of uit het buitenland. De lezer zoekt op het internet zijn informatie op verschillende websites met een zo laag mogelijk aantal kliks en het liefst van al op gratis nieuwswebsites. Wim De Preter werkt bij De Tijd en kwam op 8 december een gastlezing geven in Brussel over de economische aspecten van de journalistiek. Hij maakte ons iets duidelijk waar we nog niet bij stilgestaan hebben, dat journalistiek een economische machine is. Journalistiek mag dan wel een beroep zijn waar creativiteit en schrijfvaardigheid een belangrijke rol spelen, aan het eind van de dag moet iedereen zijn loon krijgen en moeten bedrijven opbrengsten kunnen maken.

Lezers betalen niet meer voor hun nieuws. Het aantal abonnementen op kranten daalt aanzienlijk waardoor kranten op zoek moeten gaan naar een nieuwe manier om geld te verdienen. Advertenties zijn natuurlijk altijd al de grootste inkomstenbron geweest en dat blijft zo, alleen de manier van adverteren is aan het veranderen. Advertenties in kranten brengen nog steeds het meeste geld op, maar door de grote daling van krantenverkopen daalt het totale inkomstenaantal van deze advertenties aanzienlijk. Daarom wordt nu ook geadverteerd op de nieuwswebsites. De laatste jaren is er een nieuwe vorm van adverteren opgedoken, Real Time Bidding (RTB). Iedereen heeft wel al eens last gehad van de vervelende melding dat een website ‘cookies’ gebruikt. Iedere websites die cookies gebruikt zamelt informatie in over bezoeker van de website. Dankzij de verzamelde data gaan gespecialiseerde reclamebedrijven reclame plaatsen op een website die jij bezoekt, met daarop gepersonaliseerde reclame voor jouw interesses (Yuan, Wang & Zao, 2013). Stel dat je bijna een nieuwe auto gaat kopen en dat je op Google enkele modellen bent gaan opzoeken. De kans is groot dat je reclame voor auto’s te zien krijgt op de eerst volgende website die je bezoekt die cookies gebruikt. De pers heeft er dus baat bij om hun lezers zo goed mogelijk te leren kennen en te weten te komen wat hun interesseert, zonder inbreuk te doen op hun privéleven (Goldfarb & Tucker, 2011).

Door de snelle opkomst van sociale media gaan lezers hun nieuws verzamelen via platformen zoals Facebook of Twitter. Geleidelijk aan ziet de media dit in en gaan ze daar ook op inspelen. Meer en meer gaat de Vlaamse pers zich focussen op sociale media om links naar artikels te verspreiden en de interactie met de lezer te verhogen. Na een tijdje begon de media te snappen dat ook een andere vorm van advertisement steeds vaker gebruikt wordt, namelijk adverteren op Facebook. Het bedrijf van Mark Zuckerberg heeft inmiddels 1,8 miljard gebruikers en dus heeft de website een grote invloed op de leesgewoontes van mensen. Het is belangrijk om te verstaan hoe advertisement in zijn werk gaat op Facebook. Adverteren werkt als een soort van veiling. Een bedrijf bepaalt hoeveel zij dagelijks willen spenderen aan advertenties op Facebook. Betaalt het bedrijf meer dan een ander, dan gaat het niet per se meer advertenties krijgen. Hoeveel advertenties een bedrijf krijgt op Facebook hangt af van verschillende factoren. Het doelpubliek speelt onder andere een grote rol. De website adespresso geeft een goed voorbeeld. Verkopers van yogamatten moeten niet enkel opboksen tegen concurrenten die ook yogamatten verkopen. Zij moeten ook opboksen tegen andere interesses van de yogafans waarvoor op hun beurt bedrijven zullen adverteren op Facebook. Een andere belangrijke factor is de kwaliteit van de advertentie dat een bedrijf maakt. Facebook zal een cijfer geven tussen 1 en 10 om de relevantie van de advertentie bij het doelpubliek te tonen. Door enkele aanpassingen te doen kan dat cijfer stijgen en op die manier meer lezers bereiken. De hoeveelheid kliks op een advertentie kan het cijfer ook doen veranderen. Als er veel op geklikt wordt zal het cijfer stijgen. Als veel lezers aangeven dat ze de advertentie niet willen zien, daalt het cijfer opnieuw en zullen opnieuw minder lezers bereikt worden. Het is dus belangrijk om een kwaliteitsvolle advertentie te maken dat interesse opwekt bij het publiek.

facebook-ads-split-test-1024x536

Wim De Preter stelde in zijn lezing enkele oplossingen voor die nieuwsmedia kunnen gebruiken om hun opbrengsten opnieuw te doen stijgen. Zo zouden adverteerders op een nieuwswebsite zelf artikels en video’s kunnen maken. Met deze vorm van native advertising moet echter duidelijk gemaakt worden dat het om een advertentie gaat en dat wordt niet altijd gedaan. Soms is de nuance tussen gewoon nieuwsartikel en advertisement zeer dun. Als een redacteur een artikel schrijft over zonnebrillen en daarbij schrijft dat er nog slechts 10 te koop zijn op de website van de producent, geldt dat dan als een advertentie?

Andere oplossingen zijn vormen van externe inkomsten die niets met journalistiek te maken hebben. Zo heeft Knack bijvoorbeeld een cruise georganiseerd en werkte Het Laatste Nieuws samen met Studio 100 om een Plopsa geschenkdoos weg te geven (De Preter). De Persgroep gaat binnenkort verhuizen naar Antwerpen. Op dit moment bevindt de uitgever van onder meer HLN, De Tijd en De Morgen zich in Asse bij Brussel. Tegen 2019 zouden de redacties verhuizen naar Kievit vlakbij Antwerpen-Centraal. Op het gelijkvloers van het gebouw komt een café en een krantenkiosk met koffiebar (Het Nieuwsblad). Dat is voor De Persgroep een uitgelezen kans om wat extra inkomsten binnen te rijven.

Een derde mogelijkheid is aankloppen bij de overheid. Zij zouden eventueel innovatieve nieuwsmedia kunnen sponsoren. Dat zou de media motiveren om zich te focussen op nieuwe vormen van nieuwsverspreiding. Het is dan wel belangrijk om de invloed van de overheid te beperken. Zij zouden namelijk hun macht en geld kunnen gebruiken om invloed uit te oefenen op de media die zij subsidiëren. Zowel Europese landen als de Verenigde Staten denken na hoe de overheid kwaliteitsvolle nieuwsmerken kan belonen zonder al te veel invloed te krijgen in het journalistieke bestuur van de bedrijven. Het is de taak van de overheid om de sector ter hulp te schieten in moeilijke tijden. De journalistiek vrijwaart namelijk de vrije meningsuiting en zonder open discussie en correcte informatieverspreiding, wordt de publieke sfeer ondermijnd. Dat heeft zijn gevolgen op andere sectoren zoals de wetenschap of de politiek. Lezers moeten op een correcte manier blijven geïnformeerd worden. (Vree, 2012)

de-tijd-digitale-voorsprong

Door de digitalisering en bij gevolg de dalende verkoop van kranten, verliezen veel redacties en uitgeverijen een groot deel van hun inkomsten. De media moeten inspelen op de nieuwe vormen van berichtgeven en van adverteren. Doen ze dat niet dan gaan ze ten onder aan het verouderde model waar ze zo steevast aan blijven vastklampen. Vanaf 2018 zal De Tijd meer digitale kranten verkopen dan de klassieke papieren variant. De andere Vlaamse kranten hinken echter zwaar achterop op innovatief vlak. Zij zullen geleidelijk aan ook de overgang moeten maken naar de digitale wereld, anders zullen zij in de toekomst allicht financiële problemen ondervinden.

Literatuurlijst

De Persgroep verhuist midden 2019 naar Kievitplein in Antwerpen. (2016). Geraadpleegd op 28/12/2016 via http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20161219_02634848

De Preter, W. (2016) Digitalisering en journalistiek (presentatie). KU Leuven Campus Brussel, Brussel

Goldfarb, A., & Tucker, C. E. (2011). Privacy regulation and online advertising. Management science57(1), 57-71.

Gotter, A. (2016). The Complete Resource to Understanding Facebook Ads Cost – 2016 Q3 Results!. Geraadpleegd op 27/12/2016 via https://adespresso.com/academy/blog/facebook-ads-cost/

Roerdink, R. (2013). Verdienmodellen voor de journalistiek. Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.

Vree, F. V. (2012). Overheid, media en openbaarheid. Jaarverslag Mediafonds2011(suppl.), 27-37.

Yuan, S., Wang, J., & Zhao, X. (2013, August). Real-time bidding for online advertising: measurement and analysis. In Proceedings of the Seventh International Workshop on Data Mining for Online Advertising (p. 3). ACM.

Afbeeldingen 

Featured image – All in one sollutionz

Afbeelding Facebook ads – Adspresso

Grafiek Vlaamse Pers – De Preter, W. (2016) Digitalisering en journalistiek (presentatie). KU Leuven Campus Brussel, Brussel

 

 

Dankzij sociale media werd Egypte bevrijd van de tirannie

Op het internet kunnen mensen hun mening laten horen aan duizenden, soms zelfs miljoenen mensen over de hele wereld. De gewone burger krijgt zo een rechtstreekse stem in de leiding van een land. Het klassieke politiek model laat mensen tijdens verkiezingen hun stem uitbrengen voor een partij of presidentskandidaat waarmee hun standpunten het meest overeen komen. Daarna wordt het land geleid door de vertegenwoordigers van het volk. Jarenlang kreeg de gewone burger het gevoel dat hij mee bepaalde wat er in zijn land gebeurde. In de Westerse wereld wordt relatief rekening gehouden met het volk, maar er zijn nog steeds landen waar de bevolking geen of weinig inspraak heeft in het dagelijkse bestuur. Noord-Koreanen worden verplicht om hun president Kim Jong-un te vereren als een soort God. Arabische landen in het Noorden van Afrika kennen eveneens dergelijke vormen van dictaturen. In 2010 begon de Arabische lente, revoluties en opstanden braken zoals in Egypte waar president Hosni Moebarak afgezet werd. Het volk kreeg genoeg van het dictatoriale beleid van hun president en namen hun recht in eigen handen. Dit had nooit kunnen gebeuren zonder de digitale revolutie.

Op 18 december 2010 begon de Arabische lente. Duizenden mensen uit Arabische landen zoals Egypte, Libië of Tunesië trokken de straat op om te protesteren tegen het bewind van de regeringsleiders. De inwoners pikten hun onderdrukking niet meer. In Marokko, Algerije, Jordanië ontstonden protesten, in Egypte, Libië, Tunesië en Jemen ontstond een revolutie en in Syrië begon toen een burgeroorlog die nu nog aan de gang is. De grootschalige rellen begonnen toen een Tunesische verkoper, Mohammed Bouazizi, zichzelf in brand stak uit protest, omdat zijn handelswaren in beslag genomen werden en omdat hij vernderd werd door een politieagente. Hij wou een boodschap overbrengen naar de wereld. Na zijn dood ontstond een revolutie in Tunesië. De protesten verspreidden zich verder naar de buurlanden. In Egypte trad president Moebarak af in februari 2011 en gaf hij de leiding van het land over aan het Egyptische leger. Later in 2013 werd ook de regering van president Morsi ten val gebracht. Protestacties waren toen nog groter dan tegen Moebarak. Op 3 juli 2013 vond in Egypte een staatsgreep plaats en werd president Morsi gevangengenomen en vervangen door een interim-president.

700px-arab_spring_map_reframed_updated-svg

Nieuwe media hebben een grote rol gespeeld in de Arabische lente. Sociale media waren belangrijk om zijn mening en standpunten te kunnen verkondigen. Niet alleen bij de bevolking, maar ook bij de regering. Zonder de nieuwe mediavormen had het verhaal van Mohammed Bouazizi nooit zoveel aandacht gekregen. Via blogs, Facebook, Twitter en YouTube werden de beelden van zijn brandend lichaam verspreid. Ali Bouazizi, een verre neef van Mohammed, kwam net op tijd aan op het plein om zijn neef te filmen met zijn smartphone. Kort nadien verspreidde hij via de media zijn beeldmateriaal. Hij wou ervoor zorgen dat zijn neefs overlijden niet voor niets was gebeurd. “Images are like weapons, they can help topple a regime.” (Lim, 2013)

“Images are like weapons, they can topple a regime.” – Ali Bouazizi

In Egypte deed een soortgelijk verhaal zich voor. Khaled Saïd was een Egyptische zakenman die in het openbaar doodgeslagen werd door de politie. Het gewelddadige optreden van de politie werd met een smartphone opgenomen en verspreid via sociale media. Op Facebook werd een pagina opgericht genaamd “We are Khaled Saïd”. De 350.000 volgers van de pagina werden uitgenodigd om overal in Egypte te protesteren tegen de regering van Moebarak. (Radsch, 2016)

Voor er Facebook was, was de blogosfeer de manier bij uitstek om kritiek te uiten op de regering. Het grote pluspunt van blogs, is dat je een pseudoniem kan aanmaken en daarmee je mening kan uiten zonder gevolgen te moeten ondervinden op je privéleven. Op Facebook kan je niet anders dan je naam te gebruiken. De vrijemeningsuiting werd daardoor oorspronkelijk ingeperkt omdat niet iedereen openlijk zijn mening durfde uiten. De meesten zorgden ervoor dat hun Facebookprofiel enkel te zien was voor vrienden. In maart 2009 werd een Arabische versie van Facebook gelanceerd en in 2010 waren er zelfs 2.4 miljoen gebruikers in Egypte. Daarmee werd het de tweede meest bezochte website van het jaar 2010, na Google. Facebook werd geleidelijk aan de tool bij uitstek om zijn mening te verkondigen in Egypte. (Radsch, 2016)

Innoverende media zorgen voor participatie

Dankzij het internet worden burgers van ondemocratische staten in contact gebracht met de Westerse democratische waarden. Ze krijgen zo te zien hoe misvormd hun samenleving is in vergelijking met Westerse landen. Daarnaast zorgt internet voor een enorme vooruitgang in de participatie van het volk in het bestuur van het land. Sociaal kapitaal wordt omgeschreven als de hulpmiddelen, zoals netwerken, normen en vertrouwen, die in een gemeenschap aanwezig zijn om zo de coöperatie en coördinatie op een wederzijdse manier ondersteunen (Putnam, geciteerd in Chadwick, 2006, p. 87). Sociale media en blogs zijn dus zo’n hulpmiddel waarmee burgers op een betere manier kunnen samenwerken met hun politieke leiders. Anderzijds kunnen politici hun boodschap sneller en op een duidelijkere manier verspreiden.

Politieke veranderingen gebeuren hoe dan ook zeer traag, zelfs met de grotere participatie via sociale media. Volgens Bennet (2012, p.36) zullen bedrijven en de elite meer verantwoordelijkheid tonen voor de negatieve gevolgen tegenover de burgers, maar grote veranderingen blijven eerder een ideaal en zullen in realiteit niet plaatsvinden. Bennet heeft het hier over Westerse democratieën en geeft voorbeelden van Obama’s regering die getracht heeft om veranderingen uit te voeren, maar dat de economie daar niet noodzakelijk beter door geworden is. Toch hebben er in Egypte gigantische veranderingen plaatsgevonden, dankzij een verbetering van het sociaal kapitaal. De toestand was er gewoon zo erg dat het daar tot een revolutie kwam.

Nood aan sociale media

Het is belangrijk om eerst te verstaan wat het politieke landschap is van een land, voor je kan zien hoe sociale media kan helpen. Burgers die in een vrij land wonen hebben zonder problemen toegang tot het internet, hoewel ze dat niet noodzakelijk nodig hebben om te protesteren tegen hun lokale politiek. Omdat hun politieke toestand relatief rustig verloopt, zullen burgers niet bepaald geïnteresseerd zijn in politiek en gaan ze sociale media vaker gebruiken als een vorm van entertainment. Anderzijds hebben onderdrukte landen minder toegang tot het internet, terwijl ze dat nodig hebben om zich te mobiliseren tegen hun regering. Zij hebben sociale media nodig om hun politiek ongenoegen uit te drukken. Dit paradox heet “the principle of cumulative inequality” (Gamson & Wolfsfeld, geciteerd in Wolfsfeld, Segev & Sheafer, 2013, p.119). Nieuwe media worden in onderdrukte landen dus gebruikt als een tool om mensen op te roepen om te protesteren. Wolfsfeld, Segev en Sheafer (2013) gebruiken een interessante metafoor om dit aan te tonen, namelijk de impact van wind op een oplaaiend vuurtje. De hoeveelheid wind kan een impact spelen op de richting en de grootte van het vuur. Op een gelijkaardige manier gaan sociale media de teneur bepalen van het politieke protest in landen waar er woede en geweld heerst.

facebook-twitter-egypte

Tools zoals Facebook of Twitter worden niet alleen gebruikt om protesten uit te lokken, maar worden vooral ook gebruikt om zich te informeren over de politieke toestand van het land. Wolfsfeld, Segev en Sheafer (2013) hebben het aantal mensen onderzocht in de Arabische landen met een account op Facebook. Tijdens de protesten was er eigenlijk een daling in het aantal accounts op Facebook. Er werd echter geen rekening gehouden met de landen Egypte, Iran, Libië en Syrië. In deze landen werd namelijk de toegang tot het internet geblokkeerd tijdens de Arabische lente. De resultaten van het onderzoek zouden dus kunnen zorgen voor een vertekend beeld. Gelukkig hebben Wolfsfeld, Segev en Sheafer nog een tweede onderzoek gedaan. Ze zijn de evolutie van de zoekopdracht ‘Facebook’ gaan opzoeken in Google. Uit hun analyse blijkt dat veel mensen kort na het begin van de Egyptische evolutie ‘Facebook’ opzochten op Google. De Egyptische inwoners konden dus misschien zelf geen account aanmaken, toch waren ze actief op zoek naar een manier om zich te informeren hoe ze mee konden protesteren en hun land redden.

Zonder sociale media en andere technologische innovaties zou de Egyptische evolutie nooit gebeurd zijn. Dankzij Facebook, Twitter en blogs werd het eindelijk mogelijk om zijn eigen mening te uiten. Door de snelle verspreiding van informatie konden protestacties snel op poten gezet worden en gecoördineerd worden op verschillende plaatsen in Egypte, maar ook in Tunesië en Libië. Ook al hielden regeringsleiders een censuurdictatuur, sociale media zorgden voor een revolutie in de Arabische wereld. Het maakte een einde aan de dictaturen en  zorgde voor de intrede van een echte democratie.

————————————————————————–

Referentielijst

Bennett, W. L. (2012). The personalization of politics political identity, social media, and changing patterns of participation. The ANNALS of the American Academy of Political and Social Science644(1), 20-39.

Chadwick, A. (2006). Internet politics: States, citizens and new communication technologies. New York, NY: Oxford University Press.

Lim, M. (2013). Framing Bouazizi:‘White lies’, hybrid network, and collective/connective action in the 2010–11 Tunisian uprising. Journalism14(7), 921-941.

Radsch, C. C. (2016). Cyberactivism and Citizen Journalism in Egypt: Digital Dissidence and Political Change. Springer.

Wolfsfeld, G., Segev, E., & Sheafer, T. (2013). Social media and the Arab spring politics comes first. The International Journal of Press/Politics18(2), 115-137.

Andere

Kaart – democratiseringsm

Cartoon – Happynews

YouTube filmpje Tahrirplein – Al Jazeera English YouTube Channel

Featured image: Tahrirplein – Volkskrant

Innovatie in de Vlaamse pers en Knight Lab

Innovatie binnen de journalistiek is belangrijk, zeker in de 21ste eeuw. Er wordt zelfs gesproken van web 2.0, een term die werd uitgevonden door Tim O’Reilly (2005). Die term verwijst naar een ontwikkeling van het internet waarin content gemakkelijk kan worden geüpload door doorsnee gebruikers en ook content die via het internet gemakkelijk verspreid kan worden. Er is gewoonweg een compleet nieuwe manier van berichtgeven ontstaan in de laatste decennia. De geschiedenis kent een steeds snellere evolutie sinds de uitvinding van het internet. Door het internet kan alles veel sneller verspreid worden en verloopt communicatie veel vlotter. Daardoor kende ook de journalistiek enkele grondige veranderingen. De eerste vorm van nieuws was uiteraard de mondelinge overdracht van nieuws. De moderne drukpers werd uitgevonden door Gutenberg in de vijftiende eeuw en werd later gebruikt voor de massaproductie van kranten. Later in de 20ste eeuw ontstond dan de televisie en werden nieuwsprogramma’s gemaakt voor dit medium. Nu wordt het meeste nieuws verspreid via het internet. Bijna alle nieuwsredacties hebben nu ook een website waar ze berichten op plaatsen. Door bepaalde innovatieve tools te gebruiken in de journalistiek kan je beter aan informatie geraken, de inhoud van je tekst of beeld een mooi ogende vorm geven en je artikels beter verspreiden dankzij sociale media.

Er zijn verschillende soorten tools die door journalisten gebruikt worden. Die kunnen onderverdeeld worden in vijf categorieën: ideation, research, report, publication, en feedback/monitoring (Vanhemelryck). Voor elke categorie zijn aparte tools die beschikbaar zijn voor journalisten om op een efficiënte manier te gebruiken. Voor het onderdeel ideation bestaan tools waarmee je kan brainstormen en goed nadenken alvorens je een artikel of onderzoek gaat schrijven. Daarna komt de research en daarvoor gebruik je tools zoals Tweetdeck, Versionista, IFTT (If this then that) en nog vele meer. Dan komen de tools om gemakkelijk en snel verslag uit te brengen. Zo kan je meteen livestreamen via Facebook Live of beelden opnemen en die vervolgens monteren. Beelden worden gemonteerd met programma’s zoals Adobe Premiere of Avid. Maar tegenwoordig bestaan er ook tools waarmee je meteen op je smartphone kan beginnen monteren als je iets interessants hebt gefilmd, zoals Filmic Pro. Om teksten te publiceren bestaan ook allerlei tools zoals TimelineJS waarmee je een verhaal kan opbouwen in een tijdlijn. Met Infogram kan je dan weer interactieve grafieken in je tekst stoppen. Dan zijn er nog ten slotte tools voor je feedback en monitoring. Met Facebook Insights kan je bijvoorbeeld bijhouden hoeveel mensen op jouw Facebook komen kijken en het aantal volgers bijhouden. Verder zijn er nog tools waarmee het nieuws kan verspreid worden. Via sociale media zoals Facebook of Twitter kan een nieuwsartikel verspreid worden en meteen gelezen worden door duizenden lezers of kijkers.

In Vlaanderen wordt niet genoeg gekeken naar journalistieke innovatie ten opzichte van de rest van de wererld, maar we evolueren wel geleidelijk aan. Steunpunt Media heeft in 2013 een onderzoek gevoerd naar de innovatiegraad in het Vlaamse journalistenlandschap. Technologie kent in Vlaanderen een steeds belangrijkere rol, ook al is er maar een minderheid dat exclusief werkt voor een online medium. Er is een toegenomen belang voor technologie. Journalisten gaan technologie meer gaan gebruiken in hun werktijd. Sociale media en microblogs worden vaker gebruikt. Weblogs, video-en fotowebsites en nieuws verspreiden via sociale media hinkt achterop (De Vuys, Raeymaeckers, & De Keyser). Dat laatste is ondertussen al sterk geëvolueerd. De meeste Vlaamse nieuwswebsites maken ondertussen gretig gebruik van sociale media zoals Twitter en Facebook en verspreiden zo hun artikels.

logo_horizontal_notagline_615x205_transparent_padded

Verder zal dit blogbericht zich focussen op bepaalde tools van Knight Lab, een deeltje van het Northwestern University in Illinois in de Verenigde Staten. Knight Lab is een groep ontwikkelaars, designers, studenten en leraren die experimenteren om journalistiek te doen innoveren. Zij leren samen en leren van elkaar. Dit groepje mensen maakt open-source tools die beschikbaar gesteld worden voor iedereen. Hun broncode is open en zij willen vooral geen winst maken. Voor hun tools te gebruiken moet je dus geen abonnement nemen en er verschijnt geen reclame op je website als je hun tools gebruikt. Hun programma’s zijn wereldwijd bekend en worden gebruikt door journalistieke giganten zoals the New York Times, the Huffington Post of NPR (National Public Radio). Hun belangrijkste tool TimelineJS werd ondertussen al gebruikt door meer dan 250.000 mensen. Ook in Vlaanderen wordt TimelineJS gebruikt. De Standaard bijvoorbeeld heeft na de aanslagen van 22 maart 2016 een interactieve tijdlijn gemaakt waarin de verschillende gebeurtenissen beschreven worden. Er werden foto’s aan toegevoegd en Tweets van Premier Michel.

TimelineJS is een tool waarmee je aan interactive storytelling kan doen. Met deze tool maak je in een handomdraai een verhaal dat mooi opgebouwd is uit bepaalde chronologische tijdspannes waar telkens wat informatie bijstaat. Er kan geschreven informatie bij elke tijdspunt staan, maar ook afbeeldingen, embedded tweets en zelfs YouTubefilmpjes. Dit geeft de lezer een kans om een verhaal op een duidelijke, chronologische manier vanaf het begin van het evenement tot het einde ervan. Je kan tijdlijnen maken met deze tool en die op elke website of blog gebruiken. Uiteraard zijn er bepaalde beperkingen verbonden aan het gebruik van TimelineJS. Je kan niet zomaar van elk verhaal een tijdlijn gaan maken. Het verhaal dat je wil vertellen moet chronologisch kunnen opgesteld worden. Het heeft geen zin om een tijdlijn te maken als je van de ene gebeurtenis naar de andere springt. Een gebeurtenis die je beschrijft in je tijdlijn kan ook nooit uitbundig beschreven worden. De tijdlijn bestaat namelijk uit kleine stukjes die in hun geheel een groot verhaal vormen. De tool is zo opgebouwd dat je er snel een eenvoudig mee aan de slag kunt. Toch zijn er bepaalde dingen die je enkel kan doen als je vertrouwd bent in het wereldje van het programmeren. Als je vindt dat er te weinig opties zijn om het lettertype en de lettergrootte etc. te veranderen, dan kan je de CSS code gaan veranderen in de front end van je website. Maar daarvoor moet je dus al wat kennis hebben van programmeren. Als je trouwens een blog hebt in WordPress, dan kan je geen tijdlijnen in een blogpost stoppen, tenzij je plugins kan installeren. Knight Lab heeft namelijk een plugin waarmee je wel tijdlijnen kan posten op je WordPress blog.

final_storymap_shot-1

Een tweede tool van Knight Lab die ik graag zou bespreken, is Storymap. Met Storymap kan je een verhaal vertellen door een eenvoudige kaart om te zetten naar een mooi ogende interactieve kaart. Je neemt dan een simpele kaart op het internet en voegt op bepaalde plaatsen ‘pins’ waar je telkens wat uitleg bijschrijft, foto’s toevoegt of filmpjes. Op die manier kan je een verhaal vertellen dat niet per se chronologisch hoeft te verlopen, zoals bij TimelineJS. Toch zijn de meeste verhalen die met Storymap gemaakt zijn nog steeds chronologisch opgesteld, de nadruk ligt echter meer op de plaatsen waar de gebeurtenissen plaatsvonden, dan de periode waarin ze gebeurd zijn. Zo kan je bijvoorbeeld een beeld schetsen voor je lezers over de verovering van verschillende gebieden in Syrië door terreurgroep Islamitische Staat. Er bestaan twee soorten binnen Storymap: de klassieke vorm die hierboven beschreven staat, en dan is er ook nog Gigapixel. Daarmee hoef je niet een verhaal te maken dat over verschillende plaatsen heen verspreid is. Je gebruikt wel dezelfde technologie maar deze keer om een verhaal te vertellen aan de hand van zware foto’s met een groot aantal pixels, vandaar de naam Gigapixel. Voor je dit gebruikt moet je eerst in staat zijn om zware foto’s via een server op het web te krijgen en pas dan kan je die gebruiken in storymap. Dit vergt wat meer tijd en kennis, maar je krijgt er wel fantastische resultaten mee zoals deze interactieve kaart van de weg die het personage Arya heeft afgelegd in de hitserie Game of Thrones.

Graag wil ik eindigen met een tekst waarvan titel me op het eerste zicht nogal choquerend leek toen ik onderzoek deed voor dit blogbericht: What is “Innovation Journalism?” Does it have a future? Mijn eerste gedacht is: natuurlijk heeft innovatieve journalistiek een toekomst. Een belangrijk punt dat de auteurs van dat artikel aanhalen, is dat de wereld van innovatieve tools grotendeels een lucratieve business is. Bedrijven maken innovatieve tools en worden meestal gratis aangeboden waaraan reclame gebonden is, ofwel moet je een soort abonnement nemen om de tools te kunnen gebruiken. Daarnaast zijn er ook open-source tools zoals die van Knight Lab, die geen winst willen maken, maar deze vorm van innovatie is zeldzaam. De wereld van de innovatie is voortdurend in beweging. Het beeld dat we hebben over journalistiek kan er morgen plots volledig anders uitzien.

Bronnen:

De Vuyst, S., Raeymaeckers, K., & De Keyser, J. (2013). Journalistiek 2.0? Uitdagingen en mogelijkheden voor journalisten in de crossmediale en multimediale omgeving.

O’reilly, T. (2005). Web 2.0: compact definition.

Sandred, J. (2005). A business model for innovation journalism: Biotech Sweden. Innovation Journalism2(1), 1-25.

TimelineJS. Knight Lab. Geraadpleegd via https://timeline.knightlab.com/.

StoryMap JS: Maps that tell stories. Knight Lab. Geraadpleegd via https://storymap.knightlab.com/.

About us. Knight Lab. Geraadpleegd via http://knightlab.northwestern.edu/about/.

Vanhemelryck, K. (2016). Digital Storytelling – Trends [presentatie]. Brussel: Letteren Campus KU Leuven Brussel.

Tijdlijn Aanslagen De Standaard

Storymap verovering IS in Syrië

What is “Innovation Journalism?” Does it have a future?

Arya’s Journey (Game of Thrones)

Featured image: innovationjournalism.org

Afbeelding Knight Lab: website Knight Lab

Afbeelding storymap: journalism.co.uk

“Begrijpen hoe tools werken en voortdurend veranderen is het belangrijkste.”

Jago Kosolosky is op zeer jonge leeftijd al hoofdredacteur van Knack.be/LeVif.be geworden, een puike prestatie als je het mij vraagt. Om hoofdredacteur te worden en de zware last van verschillende redacties op je schouders te moeten dragen, heb je toch wat ervaring nodig. Ondanks zijn jonge leeftijd heeft Jago Kosolosky die ervaring kunnen opdoen door vroeg te beginnen schrijven tijdens zijn studies voor zo’n acht kleine tot zeer kleine magazines. Eerst heeft hij een bachelor politieke wetenschappen gestudeerd. Later is hij nog een stage gaan volgen in Washington D.C. tijdens zijn master internationale politiek. Vervolgens werd hij webmaster bij MO* magazine, aangevuld met freelance werk en een postgraduaat internationale onderzoeksjournalistiek. Nadat hij bij Mo bijna twee jaar gewerkt heeft, is hij voor De Tijd gaan werken binnen hun multimedia cel, tot hij in oktober hoofdredacteur werd bij Knack.be/LeVif.be, waaronder ook alle sub-sites zoals Weekend, Trends en MoneyTalk.

Zijn taak als hoofdredacteur leunt nu dicht aan bij zijn werk voor MO* magazine, management en zijn team sturen. Het technologische aspect in zijn leven staat op dit ogenblik in het teken van innovatieve tools te zoeken en die op een doelgerichte manier te gebruiken voor de online redactie. Bij De Tijd was technologie veel belangrijker voor Kosolosky. Hij maakte zelf videos, monteerde beelden, programmeerde en maakte innovatieve stukken voor de website. Daar werkte hij aan kleine projecten, terwijl hij nu een (be)sturende job vervult. Toch is hij nog altijd bezeten over technologie binnen de journalistiek.

Tools & Custom-werk

Volgens hem moet er een onderscheid gemaakt worden tussen innovatieve tools en custom-werk. Telkens hij een lezing geeft, komt dit zeker aan bod. “Het is zeer belangrijk om het verschil te kennen. Custom-werk is iets dat je zelf maakt door zelf te monteren of te programmeren. Anderzijds zijn er de kant-en-klare tools die worden gemaakt door bedrijven die elk hun eigen business model hebben. Hun doel is om zoveel mogelijk hun product te verkopen. Zo heb je bijvoorbeeld Infogram waarmee je bijvoorbeeld mooie grafieken kan maken en die op je website plaatsen. Er is daar een gratis versie voor, en daar kan je gratis mee aan de slag. Maar als het dan op je website staat, dan staat daar reclame bij. De redactie kan dan ook een abonnement nemen dat toegang geeft tot meer functies zoals het lettertype veranderen, en bovenal, er is geen reclame meer. Dat is hun business model en zo werken de meeste tools.”

“Uiteraard zijn er tools die hun geld waard zijn en tools die hun geld niet waard zijn.” Daarnaast zijn er nog andere soorten tools. “Er zijn ook open-source tools zoals alles van Knight Lab”. Knight Lab is een groep studenten en leraren van de Northwestern University in Illinois. Dit groepje designers en ontwikkelaars vinden nieuwe tools uit die onder meer gebruikt worden in de journalistiek. “Zo heb je Timeline JS en StoryMap JS. Die tools zijn allemaal open-source en dat wil zeggen dat hun broncode openlijk beschikbaar is en dat er geen inkomsten uit gewonnen worden. Hun tools zijn ideaal om als beginner te leren experimenteren. Die zijn gemakkelijk te gebruiken en hebben tegelijk het voordeel dat die niet vol reclame staan. Dat was dus de ene kant van het verhaal. De andere kant van het verhaal is wanneer je zelf iets wil maken, dan moet je gaan programmeren. Hier ga je dus programmeren of zelf een video maken en video-effecten toevoegen. Er is een groot onderscheid tussen de twee. Tools kunnen je ver brengen, maar ze brengen je maar zo ver als ze je kunnen brengen. Tools zijn zeer vergankelijk. Van de ene dag op de andere kan de ontwikkelaar van een tool failliet gaan en dan ben je die kwijt.” Belangrijk hier is dat je niet enkel de toegang tot jouw tool kwijt bent, maar dat ook al je creaties daar tegelijk mee verdwijnen. Kosolosky geeft hier het voorbeeld van YouTube. “Moest dit bedrijf plots failliet verklaard worden, dan verdwijnt elk YouTubefilmpje dat ooit in een website werd ingevoegd voorgoed. Die filmpjes hebben namelijk nooit op je eigen websites gestaan, die waren eigenlijk in de code van je website gelinkt aan de oorspronkelijke pagina waar het YouTubefilmpje staat.”

“Wanneer je tools gaat gebruiken heb je dus een zeer afhankelijke relatie. Tenzij als je zelf iets gaat bouwen en je zet het op je website via een eigen website, dan kan dat niet verdwijnen. Het is natuurlijk veel moeilijker om iets zelf te maken. Je skill-set moet daarvoor veel groter zijn en er kruipt veel meer tijd in. Je bent ook vrijer als je zelf iets in elkaar steekt en de afhankelijkheid verdwijnt. Die manier van denken is zeer belangrijk want het ecosysteem van tools verandert voortdurend. Wat veel belangrijker is dat je inzicht hebt in de wereld van tools en dat je begrijpt hoe die werken en steeds veranderen.” Ezra Eeman is hoofd van VRT Start-up, een groep van de VRT dat op zoek gaat naar “innovatieve formats & producten voor een nieuwe generatie mediagebruikers”, zo staat er in de bio van hun Twitteraccount te lezen. Eeman heeft de 80-20 regel uitgevonden. Dat betekent dat je 10 tools selecteert en gebruikt voor je dagelijkse werk. Gedurende 80% van je werktijd gebruik je die zelfgekozen tools. De overige 20% van je werktijd ga je experimenteren. Ik vroeg Kosolosky of dit experimenteren nog meer zou moeten gedaan worden. “Neen want uiteindelijk moet er ook iets uit je werk voortkomen. Iets wat je kan doen om die regel tegen te gaan, is zelf iets bijleren en zelf leren programmeren. Ik heb zelf op twee jaar tijd leren programmeren tussen werk en privé door. Het is geen kernfysica. Als je tijd hebt om regels uit te vinden om je tijd te verdelen, heb je ook tijd om iets te leren waarmee je jezelf kan specialiseren.”

Mind-set voor innovatie

Het custom-work gedeelte kan je leren, je kan leren hoe een website is opgebouwd en hoe jij die zelf kan maken. HTML, CSS en andere programma’s, daar moet je tijd in steken en hun werkwijze gaan leren. “Bepaalde principes van design, van videogebruik, van design, die moet je leren. Die principes veranderen niet binnen tien jaar.” Tools moet je volgens Kosolosky niet leren gebruiken. Die zijn namelijk zo gebruiksvriendelijk opgebouwd om hun product te promoten. “Als je een tool moet leren gebruiken en dat neemt teveel tijd in beslag, dan is dat een slechte business. Door je kennis van die principes, kan je snel een tool kiezen waarmee je aan de slag kunt gaan. Die mind-set hebben en tonen dat je wilt ontdekken en nieuwsgierig bent, die is belangrijk, niet het feit dat je bepaalde tools en snufjes kan gebruiken. Zeker als jonge journalist. Iedereen moet openstaan voor nieuwe ideeën en manieren om te berichtgeven. Er zijn uiteraard mensen die bijzonder goed kunnen schrijven en daarvoor aangenomen worden of er experts in bepaalde vakgebieden. Maar als jonge man of vrouw kan je je moeilijk onderscheiden als expert. Je kan een brede kennis hebben op een bepaald vakgebied, en toch ga je in de praktijk iemand tegenkomen die al tientallen jaren meer ervaring heeft dan jou. Op technologisch vlak is het veel gemakkelijker om je te onderscheiden van de rest omdat dat vakgebied nog jong is.”

html-definition-25241042

Het is algemeen geweten dat we in Vlaanderen achterop hinken op de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk als het aankomt op innovatie in de journalistiek. “Maar dat is niet het enige, ook op andere vlakken en dat is niet noodzakelijk slecht. Er zijn in ieder geval geleerde mensen met interesse ervoor. Dat achterop hinken is niet noodzakelijk negatief. Wij kunnen leren uit de fouten van projecten die misgelopen zijn zoals projecten van de New York Times.”

De boodschap van Jago Kosolosky is duidelijk: innovatie staat open voor iedereen, je moet gewoon de interesse tonen om die innovatie te leren gebruiken. Hetzij door tools te gebruiken in je dagelijkse werk, hetzij door custom-werk te leren zoals programmeren. Dat laatste vergt wat meer moeite, maar zal op lange termijn meer vruchten afwerpen. De universele principes leren op technologisch vlak zijn onmisbaar als jonge journalist in de 21ste eeuw. Die interesse in technologie bezit ik ook en dus ga ik beginnen aan een zoektocht naar het begrijpen van deze principes.

 

Bronnen:

Websites

Afbeeldingen

Filmpje

Internet: handige tool maar vernietigt geheugen

Nicholas Carr heeft verschillende boeken geschreven over het gebruik van internet. In zijn boek The Shallows (Nederlands: Het Ondiepe) bespreekt hij de gevaren van het internet op ons geheugen. Toch bespreekt hij ook in diepte de grote voordelen dat het wereldwijde web ons biedt. Hij neemt ons terug in de tijd en vertelt ons over het ontstaan van de boekdrukkunst, dat kan beschouwd worden als de voorganger van het internet.

the-shallows-kaft

Iedereen gebruikt het internet. Of je nu een doordeweekse persoon bent in de Westerse wereld die dagelijks zijn mail checkt, of je bent iemand die thuis geen computer heeft staan. Toch zal je al gehoord hebben van het internet. Zelfs de meest afgelegen plaatsen waar op het eerste gedacht geen internet zou zijn, kennen het fenomeen. In Afrika bestaat zowaar een grote zwarte markt waar dagelijks duizenden namaaksmarthphones verkocht worden. Niet iedereen kan er evengoed mee overweg, maar iedereen kent het. Internet wordt voornamelijk gebruikt als een tool dat de levensomstandigheden verbeterd heeft sinds haar ontstaan in 1969.

Nicholas Carr neemt ons terug in de geschiedenis. Zijn boek is min of meer chronologisch geschreven. Het woord ontstond al duizenden jaren geleden in de oertijd. Naargelang de tijd vorderde, hebben oermensen leren praten. Wanneer duidelijke zinnen konden gevormd worden, begon kennis zich over te zetten via mondelinge taal. In de Klassieke Oudheid leefden de eerste professors van weleer, de Griekse filosofen gaven hun kennis over aan hun leerlingen in hoorcolleges. Leerlingen moesten er luisteren naar de ervaring en kennis van de professor. In die tijd maakte een uitvinding het gemakkelijker om kennis te onthouden. Kleitabletten werden gebruikt om informatie op te schrijven. Bekijk het als de Post-its van die tijd. Op een kleitablet kon je iets graveren om het daarna weer uit te vegen. Later vonden de Egyptenaren een nog gemakkelijkere manier uit om woorden op te schrijven, in plaats van ze eenvoudigweg uit te spreken: de papyrusrol. De huid van dieren werd toen zo fijn gesneden en achteraf gedroogd dat er op geschreven kon worden. Met een veer en inkt kon je dan woorden op een papyrusvel opschrijven. Dat bleek een revolutie in de manier van kennis neerpennen. Deze manier was echter ontzettend duur en bleef duur tot in de middeleeuwen. In de vijftiende eeuw vond een Duitser een manier uit om teksten op grootschalige wijze voor iedereen toegankelijk te maken. Zijn naam was Johannes Gutenberg en hij vond de boekdrukkunst uit. Hij wou dat iedereen de Bijbel kon lezen en ging op zoek naar een manier om dat te doen. Hij kocht enkele drukmachines en stak lettertjes in de machine. Die dopte hij in inkt en vormden op papier woorden. Sinds deze uitvinding kunnen boeken aan een exponentiële snelheid gedrukt worden. De prijs van boeken daalde toen enorm dankzij het gigantische aanbod. Dankzij de uitvinding kon serieuze literatuur gemakkelijk gedrukt worden, maar ook populaire literatuur zoals romans en zelfs porno.

Toch is er een man die sinds de Klassieke Oudheid waarschuwt voor zogenaamde “memory treasures”. Verschillende tools die ons helpen om kennis gemakkelijker te onthouden, waren volgens Socrates gevaarlijk. De Griekse filosoof dacht toen al dat de kleitabletten ervoor zorgden dat zijn studenten minder zouden onthouden. Volgens Nicholas Carr was zijn waarschuwing niet verkeerd, ze was gewoon te vroeg. De technologie die ons hielp om informatie te onthouden zoals inkt en papier of boeken hielp ons steeds om onze kennis te vergroten. Toen kinderen hun rekenmachine naar school mochten meenemen, waren veel ouders bang dat hun kind de wiskundeles minder goed zou onthouden of begrijpen. Het omgekeerde was echter waar. Leerlingen moesten minder nadenken over de moeilijke berekeningen en gingen daardoor hun creativiteit meer gebruiken. Dit machientje hielp toen het brein om meer te onthouden. Er werd toen minder stress gelegd op werkgeheugen dat gebruikt kon worden voor andere dingen. Het internet werkt net omgekeerd. Door op het internet rond te surfen, wordt er ongelofelijk veel stress geplaatst op het werkgeheugen. Carr omschrijft het internet als de “technology of forgetfulness.”

Internet is niet enkel negatief. Het heeft ook geholpen om een enorm aantal kennis op snelle wijze te kunnen opslaan en achteraf op te zoeken. Informatie opzoeken is de meest gebruikte functie van het wereldwijde web. Dankzij de uitvinding van Google door ene Larry Page, worden dagelijks miljoenen websites bezichtigd. Een eenvoudige zoekterm ingeven brengt je al snel naar verschillende websites waar meer informatie opstaat met meer uitleg. Sinds de revolutionaire uitvinding van ’s werelds grootste zoekmachine in 1998, is het mogelijk om in een oogopslag tientallen links te vinden naar je meest geliefkoosde onderwerp. Voor 1998 was het veel moeilijker om informatie op te zoeken op het internet. Verschillende teksten bevatten telkens een link met gelijkaardige informatie, maar dat was niet doeltreffend als een zoekmachine. Er kan trouwens een mooi parallel getrokken worden tussen het ontstaan van Google en van Facebook. Het verhaal van Facebook is natuurlijk door iedereen gekend. Jonge Harvardstudent Mark Zuckerberg wou een manier vinden om studenten van zijn universiteit  gemakkelijker met elkaar in contact te brengen. Hij vond toen samen met enkele andere studenten Facebook uit. Toen nog een datingssite enkel weggelegd voor Harvardstudenten, is nu de grootste social mediawebsite met meer dan 1.8 miljard gebruikers. Het verhaal van Google is gelijkaardig aan dat van Facebook. Larry Page was een jonge student die het werk van studenten gemakkelijker wou maken. Hij wou iedereen een manier geven om gemakkelijk informatie op te zoeken op het net. Samen met een andere student Sergey Brin stak hij een website in elkaar. Google is een woordspeling op googol, de benaming voor de berekening tien tot de honderste macht (10100). Met dit grapje wouden Page en Brin aantonen dat ze een oneindig aantal informatie dat verspreid is over het net, zouden samenbrengen in een grote website. Dat is hen gelukt. Meer nog, Google is zich nog meer gaan specialiseren in het samenbrengen van andere zaken. Google Books brengt miljoenen boeken samen onder een gespecialiseerde online databank. Google Translate is een databank waarin woorden eenvoudigweg kunnen omgezet worden naar een vreemde taal. Larry Page zal niet stoppen voor hij alle kennis van het internet heeft omgebracht naar een plaats.

Alan-Turing.png

Nu zijn veel wetenschappers bezig met te achterhalen of het mogelijk is om de artificial intelligence uit te vinden, oftwel computers die zelfstandig kunnen denken. Veel wetenschappers denken namelijk dat de connecties tussen de verschillende computercellen op dezelfde manier werkt als de connecties tussen de verschillende neuronen binnen onze hersenen. Onderzoek heeft al bewezen dat dit niet zo is. Mensen hebben nog steeds iets uniek in hun hersenen. Die humane denkwijze is iets dat machines nooit zullen kunnen recreëren. Alan Turing, de uitvinder van de eerste supercomputer, is tevens ook de uitvinder van ‘the imitation game’, ook wel ‘Turing-test’ genaamd. In deze test moest een persoon plaatsnemen aan een computer en een conversatie voeren met enerzijds een echte mens en anderzijds een computer. Wanneer de persoon aan de computer het onderscheid niet kan maken tussen de echte mens en de machine, dan zal artificial intelligence bereikt zijn. Koppige wetenschappers zoals Joseph Weizenbaum geloven nog steeds dat dit kan. Om dit aan te tonen heeft hij een machine ontworpen genaamd ELIZA. Een gewoon persoon kan plaatsnemen aan tafel en via het keyboard met ELIZA een dialoog voeren. Aan de hand van veel wiskundige codes kan ELIZA raden hoe het moet antwoorden op jouw woorden. Dat deze artificial intelligence is voor velen geen kwestie meer of het er komt, maar eerder wanneer het er komt. Op een dag zullen machines voor zichzelf kunnen denken en op die dag zullen wij daar de gevolgen van moeten dragen. Grote namen in de technologische wetenschap hebben hier al voor gewaarschuwd. Knobbels zoals Stephen Hawking of Bill Gates vinden dat we daar niet te snel naar op zoek moeten gaan. Er moet steeds een verschil blijven tussen mens en machine. Mensen zijn namelijk zo slim omdat we zelf kunnen kiezen waaraan we onze aandacht willen besteden. Dat is iets wat dieren bijvoorbeeld niet kunnen.

Door het gebruik van internet zwakt dat gevoel af. Het wordt steeds moeilijker om onze aandacht op verschillende plaatsen te verdelen. Ons geheugen is verdeeld over het lange termijngeheugen (of complex geheugen) en het kortetermijngeheugen (of werkgeheugen). Het verschil tussen mens en machine is nog uitdrukkelijk aanwezig. Machines kunnen van de ene harde schijf hun geheugen verplaatsen. Mensen kunnen enkel elementen van hun werkgeheugen overzetten naar het langetermijngeheugen. Door het gebruik van internet krijgen we het moeilijk om ons werkgeheugen te gebruiken. We zijn voortdurend afgeleid door mails en notificaties. Daardoor onthouden we minder van wat we gelezen hebben. Door ons geheugen minder efficiënt te gebruiken, sterven soms ook hersencellen af. De meeste hersencellen die we in onze jeugd aangemaakt hebben, sterven sowieso af wanneer we een oudere leeftijd bereiken. Het is echter zo dat door het hevige gebruik van internet onze hersencellen vroeger afsterven dan voorzien. Gelukkig is er goed nieuws. Hersencellen kunnen ook terug aangemaakt worden. Dit zie je bijvoorbeeld bij mensen bij wie een van hun ledematen geamputeerd werden. Als een dokter hen aanraakt aan hun neus, gebeurt het soms dat ze hun verloren ledemaat voelen. Dit heet fantoompijn. De pijn die ze voelen zijn eigenlijk de hersencellen die zich aan het vervormen zijn. Iets gelijkaardigs gebeurt ook bij blinden. Wanneer iemand blind wordt, zullen zijn hersencellen zich veranderen. Daardoor zal de blinde beter kunnen gebruik maken van zijn gehoor en van zijn tast.