Innovatie in de Vlaamse pers en Knight Lab

Innovatie binnen de journalistiek is belangrijk, zeker in de 21ste eeuw. Er wordt zelfs gesproken van web 2.0, een term die werd uitgevonden door Tim O’Reilly (2005). Die term verwijst naar een ontwikkeling van het internet waarin content gemakkelijk kan worden geüpload door doorsnee gebruikers en ook content die via het internet gemakkelijk verspreid kan worden. Er is gewoonweg een compleet nieuwe manier van berichtgeven ontstaan in de laatste decennia. De geschiedenis kent een steeds snellere evolutie sinds de uitvinding van het internet. Door het internet kan alles veel sneller verspreid worden en verloopt communicatie veel vlotter. Daardoor kende ook de journalistiek enkele grondige veranderingen. De eerste vorm van nieuws was uiteraard de mondelinge overdracht van nieuws. De moderne drukpers werd uitgevonden door Gutenberg in de vijftiende eeuw en werd later gebruikt voor de massaproductie van kranten. Later in de 20ste eeuw ontstond dan de televisie en werden nieuwsprogramma’s gemaakt voor dit medium. Nu wordt het meeste nieuws verspreid via het internet. Bijna alle nieuwsredacties hebben nu ook een website waar ze berichten op plaatsen. Door bepaalde innovatieve tools te gebruiken in de journalistiek kan je beter aan informatie geraken, de inhoud van je tekst of beeld een mooi ogende vorm geven en je artikels beter verspreiden dankzij sociale media.

Er zijn verschillende soorten tools die door journalisten gebruikt worden. Die kunnen onderverdeeld worden in vijf categorieën: ideation, research, report, publication, en feedback/monitoring (Vanhemelryck). Voor elke categorie zijn aparte tools die beschikbaar zijn voor journalisten om op een efficiënte manier te gebruiken. Voor het onderdeel ideation bestaan tools waarmee je kan brainstormen en goed nadenken alvorens je een artikel of onderzoek gaat schrijven. Daarna komt de research en daarvoor gebruik je tools zoals Tweetdeck, Versionista, IFTT (If this then that) en nog vele meer. Dan komen de tools om gemakkelijk en snel verslag uit te brengen. Zo kan je meteen livestreamen via Facebook Live of beelden opnemen en die vervolgens monteren. Beelden worden gemonteerd met programma’s zoals Adobe Premiere of Avid. Maar tegenwoordig bestaan er ook tools waarmee je meteen op je smartphone kan beginnen monteren als je iets interessants hebt gefilmd, zoals Filmic Pro. Om teksten te publiceren bestaan ook allerlei tools zoals TimelineJS waarmee je een verhaal kan opbouwen in een tijdlijn. Met Infogram kan je dan weer interactieve grafieken in je tekst stoppen. Dan zijn er nog ten slotte tools voor je feedback en monitoring. Met Facebook Insights kan je bijvoorbeeld bijhouden hoeveel mensen op jouw Facebook komen kijken en het aantal volgers bijhouden. Verder zijn er nog tools waarmee het nieuws kan verspreid worden. Via sociale media zoals Facebook of Twitter kan een nieuwsartikel verspreid worden en meteen gelezen worden door duizenden lezers of kijkers.

In Vlaanderen wordt niet genoeg gekeken naar journalistieke innovatie ten opzichte van de rest van de wererld, maar we evolueren wel geleidelijk aan. Steunpunt Media heeft in 2013 een onderzoek gevoerd naar de innovatiegraad in het Vlaamse journalistenlandschap. Technologie kent in Vlaanderen een steeds belangrijkere rol, ook al is er maar een minderheid dat exclusief werkt voor een online medium. Er is een toegenomen belang voor technologie. Journalisten gaan technologie meer gaan gebruiken in hun werktijd. Sociale media en microblogs worden vaker gebruikt. Weblogs, video-en fotowebsites en nieuws verspreiden via sociale media hinkt achterop (De Vuys, Raeymaeckers, & De Keyser). Dat laatste is ondertussen al sterk geëvolueerd. De meeste Vlaamse nieuwswebsites maken ondertussen gretig gebruik van sociale media zoals Twitter en Facebook en verspreiden zo hun artikels.

logo_horizontal_notagline_615x205_transparent_padded

Verder zal dit blogbericht zich focussen op bepaalde tools van Knight Lab, een deeltje van het Northwestern University in Illinois in de Verenigde Staten. Knight Lab is een groep ontwikkelaars, designers, studenten en leraren die experimenteren om journalistiek te doen innoveren. Zij leren samen en leren van elkaar. Dit groepje mensen maakt open-source tools die beschikbaar gesteld worden voor iedereen. Hun broncode is open en zij willen vooral geen winst maken. Voor hun tools te gebruiken moet je dus geen abonnement nemen en er verschijnt geen reclame op je website als je hun tools gebruikt. Hun programma’s zijn wereldwijd bekend en worden gebruikt door journalistieke giganten zoals the New York Times, the Huffington Post of NPR (National Public Radio). Hun belangrijkste tool TimelineJS werd ondertussen al gebruikt door meer dan 250.000 mensen. Ook in Vlaanderen wordt TimelineJS gebruikt. De Standaard bijvoorbeeld heeft na de aanslagen van 22 maart 2016 een interactieve tijdlijn gemaakt waarin de verschillende gebeurtenissen beschreven worden. Er werden foto’s aan toegevoegd en Tweets van Premier Michel.

TimelineJS is een tool waarmee je aan interactive storytelling kan doen. Met deze tool maak je in een handomdraai een verhaal dat mooi opgebouwd is uit bepaalde chronologische tijdspannes waar telkens wat informatie bijstaat. Er kan geschreven informatie bij elke tijdspunt staan, maar ook afbeeldingen, embedded tweets en zelfs YouTubefilmpjes. Dit geeft de lezer een kans om een verhaal op een duidelijke, chronologische manier vanaf het begin van het evenement tot het einde ervan. Je kan tijdlijnen maken met deze tool en die op elke website of blog gebruiken. Uiteraard zijn er bepaalde beperkingen verbonden aan het gebruik van TimelineJS. Je kan niet zomaar van elk verhaal een tijdlijn gaan maken. Het verhaal dat je wil vertellen moet chronologisch kunnen opgesteld worden. Het heeft geen zin om een tijdlijn te maken als je van de ene gebeurtenis naar de andere springt. Een gebeurtenis die je beschrijft in je tijdlijn kan ook nooit uitbundig beschreven worden. De tijdlijn bestaat namelijk uit kleine stukjes die in hun geheel een groot verhaal vormen. De tool is zo opgebouwd dat je er snel een eenvoudig mee aan de slag kunt. Toch zijn er bepaalde dingen die je enkel kan doen als je vertrouwd bent in het wereldje van het programmeren. Als je vindt dat er te weinig opties zijn om het lettertype en de lettergrootte etc. te veranderen, dan kan je de CSS code gaan veranderen in de front end van je website. Maar daarvoor moet je dus al wat kennis hebben van programmeren. Als je trouwens een blog hebt in WordPress, dan kan je geen tijdlijnen in een blogpost stoppen, tenzij je plugins kan installeren. Knight Lab heeft namelijk een plugin waarmee je wel tijdlijnen kan posten op je WordPress blog.

final_storymap_shot-1

Een tweede tool van Knight Lab die ik graag zou bespreken, is Storymap. Met Storymap kan je een verhaal vertellen door een eenvoudige kaart om te zetten naar een mooi ogende interactieve kaart. Je neemt dan een simpele kaart op het internet en voegt op bepaalde plaatsen ‘pins’ waar je telkens wat uitleg bijschrijft, foto’s toevoegt of filmpjes. Op die manier kan je een verhaal vertellen dat niet per se chronologisch hoeft te verlopen, zoals bij TimelineJS. Toch zijn de meeste verhalen die met Storymap gemaakt zijn nog steeds chronologisch opgesteld, de nadruk ligt echter meer op de plaatsen waar de gebeurtenissen plaatsvonden, dan de periode waarin ze gebeurd zijn. Zo kan je bijvoorbeeld een beeld schetsen voor je lezers over de verovering van verschillende gebieden in Syrië door terreurgroep Islamitische Staat. Er bestaan twee soorten binnen Storymap: de klassieke vorm die hierboven beschreven staat, en dan is er ook nog Gigapixel. Daarmee hoef je niet een verhaal te maken dat over verschillende plaatsen heen verspreid is. Je gebruikt wel dezelfde technologie maar deze keer om een verhaal te vertellen aan de hand van zware foto’s met een groot aantal pixels, vandaar de naam Gigapixel. Voor je dit gebruikt moet je eerst in staat zijn om zware foto’s via een server op het web te krijgen en pas dan kan je die gebruiken in storymap. Dit vergt wat meer tijd en kennis, maar je krijgt er wel fantastische resultaten mee zoals deze interactieve kaart van de weg die het personage Arya heeft afgelegd in de hitserie Game of Thrones.

Graag wil ik eindigen met een tekst waarvan titel me op het eerste zicht nogal choquerend leek toen ik onderzoek deed voor dit blogbericht: What is “Innovation Journalism?” Does it have a future? Mijn eerste gedacht is: natuurlijk heeft innovatieve journalistiek een toekomst. Een belangrijk punt dat de auteurs van dat artikel aanhalen, is dat de wereld van innovatieve tools grotendeels een lucratieve business is. Bedrijven maken innovatieve tools en worden meestal gratis aangeboden waaraan reclame gebonden is, ofwel moet je een soort abonnement nemen om de tools te kunnen gebruiken. Daarnaast zijn er ook open-source tools zoals die van Knight Lab, die geen winst willen maken, maar deze vorm van innovatie is zeldzaam. De wereld van de innovatie is voortdurend in beweging. Het beeld dat we hebben over journalistiek kan er morgen plots volledig anders uitzien.

Bronnen:

De Vuyst, S., Raeymaeckers, K., & De Keyser, J. (2013). Journalistiek 2.0? Uitdagingen en mogelijkheden voor journalisten in de crossmediale en multimediale omgeving.

O’reilly, T. (2005). Web 2.0: compact definition.

Sandred, J. (2005). A business model for innovation journalism: Biotech Sweden. Innovation Journalism2(1), 1-25.

TimelineJS. Knight Lab. Geraadpleegd via https://timeline.knightlab.com/.

StoryMap JS: Maps that tell stories. Knight Lab. Geraadpleegd via https://storymap.knightlab.com/.

About us. Knight Lab. Geraadpleegd via http://knightlab.northwestern.edu/about/.

Vanhemelryck, K. (2016). Digital Storytelling – Trends [presentatie]. Brussel: Letteren Campus KU Leuven Brussel.

Tijdlijn Aanslagen De Standaard

Storymap verovering IS in Syrië

What is “Innovation Journalism?” Does it have a future?

Arya’s Journey (Game of Thrones)

Featured image: innovationjournalism.org

Afbeelding Knight Lab: website Knight Lab

Afbeelding storymap: journalism.co.uk

“Begrijpen hoe tools werken en voortdurend veranderen is het belangrijkste.”

Jago Kosolosky is op zeer jonge leeftijd al hoofdredacteur van Knack.be/LeVif.be geworden, een puike prestatie als je het mij vraagt. Om hoofdredacteur te worden en de zware last van verschillende redacties op je schouders te moeten dragen, heb je toch wat ervaring nodig. Ondanks zijn jonge leeftijd heeft Jago Kosolosky die ervaring kunnen opdoen door vroeg te beginnen schrijven tijdens zijn studies voor zo’n acht kleine tot zeer kleine magazines. Eerst heeft hij een bachelor politieke wetenschappen gestudeerd. Later is hij nog een stage gaan volgen in Washington D.C. tijdens zijn master internationale politiek. Vervolgens werd hij webmaster bij MO* magazine, aangevuld met freelance werk en een postgraduaat internationale onderzoeksjournalistiek. Nadat hij bij Mo bijna twee jaar gewerkt heeft, is hij voor De Tijd gaan werken binnen hun multimedia cel, tot hij in oktober hoofdredacteur werd bij Knack.be/LeVif.be, waaronder ook alle sub-sites zoals Weekend, Trends en MoneyTalk.

Zijn taak als hoofdredacteur leunt nu dicht aan bij zijn werk voor MO* magazine, management en zijn team sturen. Het technologische aspect in zijn leven staat op dit ogenblik in het teken van innovatieve tools te zoeken en die op een doelgerichte manier te gebruiken voor de online redactie. Bij De Tijd was technologie veel belangrijker voor Kosolosky. Hij maakte zelf videos, monteerde beelden, programmeerde en maakte innovatieve stukken voor de website. Daar werkte hij aan kleine projecten, terwijl hij nu een (be)sturende job vervult. Toch is hij nog altijd bezeten over technologie binnen de journalistiek.

Tools & Custom-werk

Volgens hem moet er een onderscheid gemaakt worden tussen innovatieve tools en custom-werk. Telkens hij een lezing geeft, komt dit zeker aan bod. “Het is zeer belangrijk om het verschil te kennen. Custom-werk is iets dat je zelf maakt door zelf te monteren of te programmeren. Anderzijds zijn er de kant-en-klare tools die worden gemaakt door bedrijven die elk hun eigen business model hebben. Hun doel is om zoveel mogelijk hun product te verkopen. Zo heb je bijvoorbeeld Infogram waarmee je bijvoorbeeld mooie grafieken kan maken en die op je website plaatsen. Er is daar een gratis versie voor, en daar kan je gratis mee aan de slag. Maar als het dan op je website staat, dan staat daar reclame bij. De redactie kan dan ook een abonnement nemen dat toegang geeft tot meer functies zoals het lettertype veranderen, en bovenal, er is geen reclame meer. Dat is hun business model en zo werken de meeste tools.”

“Uiteraard zijn er tools die hun geld waard zijn en tools die hun geld niet waard zijn.” Daarnaast zijn er nog andere soorten tools. “Er zijn ook open-source tools zoals alles van Knight Lab”. Knight Lab is een groep studenten en leraren van de Northwestern University in Illinois. Dit groepje designers en ontwikkelaars vinden nieuwe tools uit die onder meer gebruikt worden in de journalistiek. “Zo heb je Timeline JS en StoryMap JS. Die tools zijn allemaal open-source en dat wil zeggen dat hun broncode openlijk beschikbaar is en dat er geen inkomsten uit gewonnen worden. Hun tools zijn ideaal om als beginner te leren experimenteren. Die zijn gemakkelijk te gebruiken en hebben tegelijk het voordeel dat die niet vol reclame staan. Dat was dus de ene kant van het verhaal. De andere kant van het verhaal is wanneer je zelf iets wil maken, dan moet je gaan programmeren. Hier ga je dus programmeren of zelf een video maken en video-effecten toevoegen. Er is een groot onderscheid tussen de twee. Tools kunnen je ver brengen, maar ze brengen je maar zo ver als ze je kunnen brengen. Tools zijn zeer vergankelijk. Van de ene dag op de andere kan de ontwikkelaar van een tool failliet gaan en dan ben je die kwijt.” Belangrijk hier is dat je niet enkel de toegang tot jouw tool kwijt bent, maar dat ook al je creaties daar tegelijk mee verdwijnen. Kosolosky geeft hier het voorbeeld van YouTube. “Moest dit bedrijf plots failliet verklaard worden, dan verdwijnt elk YouTubefilmpje dat ooit in een website werd ingevoegd voorgoed. Die filmpjes hebben namelijk nooit op je eigen websites gestaan, die waren eigenlijk in de code van je website gelinkt aan de oorspronkelijke pagina waar het YouTubefilmpje staat.”

“Wanneer je tools gaat gebruiken heb je dus een zeer afhankelijke relatie. Tenzij als je zelf iets gaat bouwen en je zet het op je website via een eigen website, dan kan dat niet verdwijnen. Het is natuurlijk veel moeilijker om iets zelf te maken. Je skill-set moet daarvoor veel groter zijn en er kruipt veel meer tijd in. Je bent ook vrijer als je zelf iets in elkaar steekt en de afhankelijkheid verdwijnt. Die manier van denken is zeer belangrijk want het ecosysteem van tools verandert voortdurend. Wat veel belangrijker is dat je inzicht hebt in de wereld van tools en dat je begrijpt hoe die werken en steeds veranderen.” Ezra Eeman is hoofd van VRT Start-up, een groep van de VRT dat op zoek gaat naar “innovatieve formats & producten voor een nieuwe generatie mediagebruikers”, zo staat er in de bio van hun Twitteraccount te lezen. Eeman heeft de 80-20 regel uitgevonden. Dat betekent dat je 10 tools selecteert en gebruikt voor je dagelijkse werk. Gedurende 80% van je werktijd gebruik je die zelfgekozen tools. De overige 20% van je werktijd ga je experimenteren. Ik vroeg Kosolosky of dit experimenteren nog meer zou moeten gedaan worden. “Neen want uiteindelijk moet er ook iets uit je werk voortkomen. Iets wat je kan doen om die regel tegen te gaan, is zelf iets bijleren en zelf leren programmeren. Ik heb zelf op twee jaar tijd leren programmeren tussen werk en privé door. Het is geen kernfysica. Als je tijd hebt om regels uit te vinden om je tijd te verdelen, heb je ook tijd om iets te leren waarmee je jezelf kan specialiseren.”

Mind-set voor innovatie

Het custom-work gedeelte kan je leren, je kan leren hoe een website is opgebouwd en hoe jij die zelf kan maken. HTML, CSS en andere programma’s, daar moet je tijd in steken en hun werkwijze gaan leren. “Bepaalde principes van design, van videogebruik, van design, die moet je leren. Die principes veranderen niet binnen tien jaar.” Tools moet je volgens Kosolosky niet leren gebruiken. Die zijn namelijk zo gebruiksvriendelijk opgebouwd om hun product te promoten. “Als je een tool moet leren gebruiken en dat neemt teveel tijd in beslag, dan is dat een slechte business. Door je kennis van die principes, kan je snel een tool kiezen waarmee je aan de slag kunt gaan. Die mind-set hebben en tonen dat je wilt ontdekken en nieuwsgierig bent, die is belangrijk, niet het feit dat je bepaalde tools en snufjes kan gebruiken. Zeker als jonge journalist. Iedereen moet openstaan voor nieuwe ideeën en manieren om te berichtgeven. Er zijn uiteraard mensen die bijzonder goed kunnen schrijven en daarvoor aangenomen worden of er experts in bepaalde vakgebieden. Maar als jonge man of vrouw kan je je moeilijk onderscheiden als expert. Je kan een brede kennis hebben op een bepaald vakgebied, en toch ga je in de praktijk iemand tegenkomen die al tientallen jaren meer ervaring heeft dan jou. Op technologisch vlak is het veel gemakkelijker om je te onderscheiden van de rest omdat dat vakgebied nog jong is.”

html-definition-25241042

Het is algemeen geweten dat we in Vlaanderen achterop hinken op de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk als het aankomt op innovatie in de journalistiek. “Maar dat is niet het enige, ook op andere vlakken en dat is niet noodzakelijk slecht. Er zijn in ieder geval geleerde mensen met interesse ervoor. Dat achterop hinken is niet noodzakelijk negatief. Wij kunnen leren uit de fouten van projecten die misgelopen zijn zoals projecten van de New York Times.”

De boodschap van Jago Kosolosky is duidelijk: innovatie staat open voor iedereen, je moet gewoon de interesse tonen om die innovatie te leren gebruiken. Hetzij door tools te gebruiken in je dagelijkse werk, hetzij door custom-werk te leren zoals programmeren. Dat laatste vergt wat meer moeite, maar zal op lange termijn meer vruchten afwerpen. De universele principes leren op technologisch vlak zijn onmisbaar als jonge journalist in de 21ste eeuw. Die interesse in technologie bezit ik ook en dus ga ik beginnen aan een zoektocht naar het begrijpen van deze principes.

 

Bronnen:

Websites

Afbeeldingen

Filmpje

Internet: handige tool maar vernietigt geheugen

Nicholas Carr heeft verschillende boeken geschreven over het gebruik van internet. In zijn boek The Shallows (Nederlands: Het Ondiepe) bespreekt hij de gevaren van het internet op ons geheugen. Toch bespreekt hij ook in diepte de grote voordelen dat het wereldwijde web ons biedt. Hij neemt ons terug in de tijd en vertelt ons over het ontstaan van de boekdrukkunst, dat kan beschouwd worden als de voorganger van het internet.

the-shallows-kaft

Iedereen gebruikt het internet. Of je nu een doordeweekse persoon bent in de Westerse wereld die dagelijks zijn mail checkt, of je bent iemand die thuis geen computer heeft staan. Toch zal je al gehoord hebben van het internet. Zelfs de meest afgelegen plaatsen waar op het eerste gedacht geen internet zou zijn, kennen het fenomeen. In Afrika bestaat zowaar een grote zwarte markt waar dagelijks duizenden namaaksmarthphones verkocht worden. Niet iedereen kan er evengoed mee overweg, maar iedereen kent het. Internet wordt voornamelijk gebruikt als een tool dat de levensomstandigheden verbeterd heeft sinds haar ontstaan in 1969.

Nicholas Carr neemt ons terug in de geschiedenis. Zijn boek is min of meer chronologisch geschreven. Het woord ontstond al duizenden jaren geleden in de oertijd. Naargelang de tijd vorderde, hebben oermensen leren praten. Wanneer duidelijke zinnen konden gevormd worden, begon kennis zich over te zetten via mondelinge taal. In de Klassieke Oudheid leefden de eerste professors van weleer, de Griekse filosofen gaven hun kennis over aan hun leerlingen in hoorcolleges. Leerlingen moesten er luisteren naar de ervaring en kennis van de professor. In die tijd maakte een uitvinding het gemakkelijker om kennis te onthouden. Kleitabletten werden gebruikt om informatie op te schrijven. Bekijk het als de Post-its van die tijd. Op een kleitablet kon je iets graveren om het daarna weer uit te vegen. Later vonden de Egyptenaren een nog gemakkelijkere manier uit om woorden op te schrijven, in plaats van ze eenvoudigweg uit te spreken: de papyrusrol. De huid van dieren werd toen zo fijn gesneden en achteraf gedroogd dat er op geschreven kon worden. Met een veer en inkt kon je dan woorden op een papyrusvel opschrijven. Dat bleek een revolutie in de manier van kennis neerpennen. Deze manier was echter ontzettend duur en bleef duur tot in de middeleeuwen. In de vijftiende eeuw vond een Duitser een manier uit om teksten op grootschalige wijze voor iedereen toegankelijk te maken. Zijn naam was Johannes Gutenberg en hij vond de boekdrukkunst uit. Hij wou dat iedereen de Bijbel kon lezen en ging op zoek naar een manier om dat te doen. Hij kocht enkele drukmachines en stak lettertjes in de machine. Die dopte hij in inkt en vormden op papier woorden. Sinds deze uitvinding kunnen boeken aan een exponentiële snelheid gedrukt worden. De prijs van boeken daalde toen enorm dankzij het gigantische aanbod. Dankzij de uitvinding kon serieuze literatuur gemakkelijk gedrukt worden, maar ook populaire literatuur zoals romans en zelfs porno.

Toch is er een man die sinds de Klassieke Oudheid waarschuwt voor zogenaamde “memory treasures”. Verschillende tools die ons helpen om kennis gemakkelijker te onthouden, waren volgens Socrates gevaarlijk. De Griekse filosoof dacht toen al dat de kleitabletten ervoor zorgden dat zijn studenten minder zouden onthouden. Volgens Nicholas Carr was zijn waarschuwing niet verkeerd, ze was gewoon te vroeg. De technologie die ons hielp om informatie te onthouden zoals inkt en papier of boeken hielp ons steeds om onze kennis te vergroten. Toen kinderen hun rekenmachine naar school mochten meenemen, waren veel ouders bang dat hun kind de wiskundeles minder goed zou onthouden of begrijpen. Het omgekeerde was echter waar. Leerlingen moesten minder nadenken over de moeilijke berekeningen en gingen daardoor hun creativiteit meer gebruiken. Dit machientje hielp toen het brein om meer te onthouden. Er werd toen minder stress gelegd op werkgeheugen dat gebruikt kon worden voor andere dingen. Het internet werkt net omgekeerd. Door op het internet rond te surfen, wordt er ongelofelijk veel stress geplaatst op het werkgeheugen. Carr omschrijft het internet als de “technology of forgetfulness.”

Internet is niet enkel negatief. Het heeft ook geholpen om een enorm aantal kennis op snelle wijze te kunnen opslaan en achteraf op te zoeken. Informatie opzoeken is de meest gebruikte functie van het wereldwijde web. Dankzij de uitvinding van Google door ene Larry Page, worden dagelijks miljoenen websites bezichtigd. Een eenvoudige zoekterm ingeven brengt je al snel naar verschillende websites waar meer informatie opstaat met meer uitleg. Sinds de revolutionaire uitvinding van ’s werelds grootste zoekmachine in 1998, is het mogelijk om in een oogopslag tientallen links te vinden naar je meest geliefkoosde onderwerp. Voor 1998 was het veel moeilijker om informatie op te zoeken op het internet. Verschillende teksten bevatten telkens een link met gelijkaardige informatie, maar dat was niet doeltreffend als een zoekmachine. Er kan trouwens een mooi parallel getrokken worden tussen het ontstaan van Google en van Facebook. Het verhaal van Facebook is natuurlijk door iedereen gekend. Jonge Harvardstudent Mark Zuckerberg wou een manier vinden om studenten van zijn universiteit  gemakkelijker met elkaar in contact te brengen. Hij vond toen samen met enkele andere studenten Facebook uit. Toen nog een datingssite enkel weggelegd voor Harvardstudenten, is nu de grootste social mediawebsite met meer dan 1.8 miljard gebruikers. Het verhaal van Google is gelijkaardig aan dat van Facebook. Larry Page was een jonge student die het werk van studenten gemakkelijker wou maken. Hij wou iedereen een manier geven om gemakkelijk informatie op te zoeken op het net. Samen met een andere student Sergey Brin stak hij een website in elkaar. Google is een woordspeling op googol, de benaming voor de berekening tien tot de honderste macht (10100). Met dit grapje wouden Page en Brin aantonen dat ze een oneindig aantal informatie dat verspreid is over het net, zouden samenbrengen in een grote website. Dat is hen gelukt. Meer nog, Google is zich nog meer gaan specialiseren in het samenbrengen van andere zaken. Google Books brengt miljoenen boeken samen onder een gespecialiseerde online databank. Google Translate is een databank waarin woorden eenvoudigweg kunnen omgezet worden naar een vreemde taal. Larry Page zal niet stoppen voor hij alle kennis van het internet heeft omgebracht naar een plaats.

Alan-Turing.png

Nu zijn veel wetenschappers bezig met te achterhalen of het mogelijk is om de artificial intelligence uit te vinden, oftwel computers die zelfstandig kunnen denken. Veel wetenschappers denken namelijk dat de connecties tussen de verschillende computercellen op dezelfde manier werkt als de connecties tussen de verschillende neuronen binnen onze hersenen. Onderzoek heeft al bewezen dat dit niet zo is. Mensen hebben nog steeds iets uniek in hun hersenen. Die humane denkwijze is iets dat machines nooit zullen kunnen recreëren. Alan Turing, de uitvinder van de eerste supercomputer, is tevens ook de uitvinder van ‘the imitation game’, ook wel ‘Turing-test’ genaamd. In deze test moest een persoon plaatsnemen aan een computer en een conversatie voeren met enerzijds een echte mens en anderzijds een computer. Wanneer de persoon aan de computer het onderscheid niet kan maken tussen de echte mens en de machine, dan zal artificial intelligence bereikt zijn. Koppige wetenschappers zoals Joseph Weizenbaum geloven nog steeds dat dit kan. Om dit aan te tonen heeft hij een machine ontworpen genaamd ELIZA. Een gewoon persoon kan plaatsnemen aan tafel en via het keyboard met ELIZA een dialoog voeren. Aan de hand van veel wiskundige codes kan ELIZA raden hoe het moet antwoorden op jouw woorden. Dat deze artificial intelligence is voor velen geen kwestie meer of het er komt, maar eerder wanneer het er komt. Op een dag zullen machines voor zichzelf kunnen denken en op die dag zullen wij daar de gevolgen van moeten dragen. Grote namen in de technologische wetenschap hebben hier al voor gewaarschuwd. Knobbels zoals Stephen Hawking of Bill Gates vinden dat we daar niet te snel naar op zoek moeten gaan. Er moet steeds een verschil blijven tussen mens en machine. Mensen zijn namelijk zo slim omdat we zelf kunnen kiezen waaraan we onze aandacht willen besteden. Dat is iets wat dieren bijvoorbeeld niet kunnen.

Door het gebruik van internet zwakt dat gevoel af. Het wordt steeds moeilijker om onze aandacht op verschillende plaatsen te verdelen. Ons geheugen is verdeeld over het lange termijngeheugen (of complex geheugen) en het kortetermijngeheugen (of werkgeheugen). Het verschil tussen mens en machine is nog uitdrukkelijk aanwezig. Machines kunnen van de ene harde schijf hun geheugen verplaatsen. Mensen kunnen enkel elementen van hun werkgeheugen overzetten naar het langetermijngeheugen. Door het gebruik van internet krijgen we het moeilijk om ons werkgeheugen te gebruiken. We zijn voortdurend afgeleid door mails en notificaties. Daardoor onthouden we minder van wat we gelezen hebben. Door ons geheugen minder efficiënt te gebruiken, sterven soms ook hersencellen af. De meeste hersencellen die we in onze jeugd aangemaakt hebben, sterven sowieso af wanneer we een oudere leeftijd bereiken. Het is echter zo dat door het hevige gebruik van internet onze hersencellen vroeger afsterven dan voorzien. Gelukkig is er goed nieuws. Hersencellen kunnen ook terug aangemaakt worden. Dit zie je bijvoorbeeld bij mensen bij wie een van hun ledematen geamputeerd werden. Als een dokter hen aanraakt aan hun neus, gebeurt het soms dat ze hun verloren ledemaat voelen. Dit heet fantoompijn. De pijn die ze voelen zijn eigenlijk de hersencellen die zich aan het vervormen zijn. Iets gelijkaardigs gebeurt ook bij blinden. Wanneer iemand blind wordt, zullen zijn hersencellen zich veranderen. Daardoor zal de blinde beter kunnen gebruik maken van zijn gehoor en van zijn tast.